50 principes van wonderen

Principe 2

 

Op zichzelf zijn wonderen niet van belang. Het enige wat telt is hun Bron, die elke waardebepaling verre overstijgt.

 

     Het feit dat Bron met een hoofdletter is geschreven maakt duidelijk dat het over God gaat. God is door middel van de Heilige Geest aanwezig in onze denkgeest. Wonderen zijn op zichzelf niet van belang, omdat ze deel uitmaken van de illusoire wereld van het ego. Het wonder is dus een correctie van een illusoire gedachte, wat ook het wonder zelf tot een illusie maakt. Het is alleen nodig in een wereld van illusies. In de Hemel hebben we geen wonderen nodig. In de Hemel hebben we ook geen vergeving nodig. We hebben alleen vergeving of een wonder nodig in een oord waar we geloven in zonde, lijden, offers, afscheiding, enzovoort.

     Het enige wat er werkelijk toe doet is God en Gods schepping: de geest of de Christus in ons. In deze wereld is een wonder echter wel van belang, omdat het de correctie is die ons in staat stelt ons uiteindelijk te herinneren Wie we werkelijk zijn. De Cursus spreekt dan ook over vergeving als een illusie, een droom, maar ook als "het eind van dromen" (WdI.198.3:4). Dat maakt vergeving anders dan alle andere illusies in de wereld. Die andere illusies brengen nieuwe illusies voort en versterken zo de illusie dat we afgescheiden zijn of dat aanval werkelijk en gerechtvaardigd is. Vergeving is een illusie die ons leert dat er geen illusies zijn.

 

Vraag: Als we geen volmaakte liefde kennen in dit leven, hoe zit het dan met Jezus?

 

Antwoord: Ik denk dat er een paar uitzonderingen zijn zoals Jezus, die het belangrijkste symbool is van Gods Liefde. Verder zijn er enkele mensen die hun ego volledig hebben getranscendeerd, maar nog een poosje hier blijven om andere mensen te helpen dat eveneens te doen. In het Oosten worden dit avatars of bodhisattvas genoemd: mensen die verlicht zijn, maar nog een klein deeltje van hun ego in stand houden, zodat ze in hun lichaam kunnen blijven. Niet meer om lessen te leren, maar om anderen te helpen. Het Handboek voor leraren zegt echter dat dit zo zelden voorkomt dat het niet als een realistisch doel kan worden beschouwd (H26.2,3).

 

Vraag: Wat zijn onze scheppingen?

 

Antwoord: 'Schepping' is een van de termen die de Cursus gebruikt maar niet echt uitlegt. Het woord refereert aan het scheppingsproces dat we delen met God. Een van de fundamentele kenmerken van de geest is dat hij zichzelf altijd uitbreidt. Dit proces vindt niet plaats in tijd of ruimte, daarom is het voor ons moeilijk te begrijpen. Gods uitbreiding van Zichzelf wordt scheppen genoemd. Wij zijn het resultaat daarvan, niet zoals we onszelf hier zien zitten, maar als de Christus die we in feite zijn. Ieder van ons is deel van die Christus, die een uitbreiding is van God. Aangezien Christus deel is van God, deelt Hij ook de fundamentele kenmerken van God. Een van die kenmerken is uitbreiding, dus Christus breidt Zichzelf uit. Dat noemt de Cursus 'scheppen'. Onze scheppingen zijn dus de uitbreidingen van onszelf zoals we werkelijk zijn. Wat het zo moeilijk te begrijpen maakt is dat dit proces geen tegenhanger of referentiekader heeft in deze wereld. Wanneer de Cursus het woord 'schepping' gebruikt bedoelt hij niet een creatief idee, of het maken van een kunstwerk of iets dergelijks. Hij gebruikt het woord alleen als een beschrijving van de werking van de geest. Als je denkt in termen van het traditionele idee van de Drie-eenheid bestaat de Tweede Persoon niet alleen uit Christus, van wie wij allemaal deel uitmaken, maar ook uit de uitbreidingen van Christus, onze scheppingen.

 

Vraag: De Cursus belooft dat onze scheppingen op ons wachten. Is dat waar?

 

Antwoord: Ja, als een juichende menigte. Je haast je naar huis en daar staan ze langs de kant van de weg om je te verwelkomen. Dat is een natuurlijk een metafoor, maar waar het om gaat is dat onze eigen heelheid ons onafgebroken roept ons te herinneren Wie we zijn.

 

     Het woord 'waardebepaling' in de laatste zin van dit tweede wonderprincipe is een woord van deze wereld. Wij zijn altijd bezig de waarde van iets te bepalen en dat is uiteraard hetzelfde als oordelen. Bij waardebepaling gaat het om een beoordelaar die iets of iemand anders beoordeelt. Dan is er dus sprake van afscheiding: subject en object. Het proces van waardebepaling heeft daarom alleen betekenis in de wereld van waarneming, niet in de wereld van God. God staat boven elke waardebepaling, omdat Hij boven elk oordeel staat. Hij staat boven vorm, boven afscheiding, boven waarneming. Het wonder is alleen van belang voor zover het ons leert dat niets hier van belang is. Als we die les eenmaal geleerd hebben, wordt het wonder overbodig. Hetzelfde geldt voor de tijd: zijn enige doel is ons te leren dat hij niet bestaat (zie principe 15). Ook de wereld en het lichaam hebben dat doel: ons leren dat ze niet bestaan. We kunnen dat echter niet leren zonder eerst in de wereld en het lichaam te zijn. Daarom zegt de Cursus dat we ons bestaan in deze wereld en onze fysieke ervaringen niet moeten ontkennen (T2.IV.3:8-11). Hij zegt alleen dat we er anders naar moeten kijken.